Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA4443

Datum uitspraak2006-10-17
Datum gepubliceerd2007-05-04
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersC200401007
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bewijslevering toegestaan ten aaznien van de vraag of aprtijen tussentijdse opzegging van huurovereenkomst zijn overeengekomen.


Uitspraak

C0401007/HE ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH, zevende kamer, van 17 oktober 2006, gewezen in de zaak van: 1. [X.], 2. [Y.], beiden wonende te [woonplaats], appellanten bij exploot van dagvaarding van 17 juni 2004, verder te noemen: huurders, procureur: mr. I.J.J.M. Roorda, tegen: [Z.], wonende te [woonplaats], geïntimeerde bij gemeld exploot, verder te noemen: verhuurder, procureur: mr. K.V.A.J.M. Schobben, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 13 juni 2006 in het hoger beroep van het onder zaaknummer 299153 en rolnummer 3324/03 door de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie ‘s-Hertogenbosch gewezen vonnis tussen verhuurder als eiser en huurders als gedaagden. 6. Het tussenarrest van 13 juni 2006 Bij genoemd arrest is verhuurder tot bewijslevering toegelaten en is iedere verdere beslissing aangehouden. 7. Het verdere verloop van de procedure Verhuurder heeft afgezien van bewijslevering. Vervolgens hebben partijen de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. 8. De verdere beoordeling 8.1. Nu verhuurder heeft afgezien van bewijslevering moet het rechtens voor worden gehouden dat de litigieuze schade aan de gemetselde kolom van de toegangspoort niet is veroorzaakt door (één van) huurders. De betreffende vordering dient derhalve te worden afgewezen. 8.2. In het tussenarrest is reeds geoordeeld dat de beslissing ten aanzien van de gevorderde huurtermijnen in stand moet blijven. Tegen de toewijzing van de bijkomende kosten is geen grief gericht zodat ook deze beslissing in stand moet blijven. In het dictum van het vonnis in eerste aanleg dient dan het bedrag van € 3.148,43 verminderd te worden met € 740,45 zodat resteert een veroordeling tot het betalen van € 2.407,98. 8.3. Ten aanzien van proceskosten is het hof van oordeel dat, nu verhuurder voor een beperkt deel in het ongelijk is gesteld, aldus dient te worden beslist dat de veroordeling met betrekking tot de eerste aanleg in stand kan blijven en dat in hoger beroep huurders dienen te worden veroordeeld in de helft van de kosten aan de zijde van verhuurder gevallen. 9. De uitspraak Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep in zoverre huurders daarin zijn veroordeeld om verhuurder € 3.148,43 te betalen; en in zoverre opnieuw recht doende: veroordeelt huurders hoofdelijk des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, om aan verhuurder tegen kwijting te betalen de somma van € 2.407,98, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 juli 2002 tot aan de dag der algehele voldoening; wijst af de vordering van verhuurder tot betaling door huurders van het bedrag van € 740,45; bekrachtigt het vonnis voor het overige; veroordeelt huurders in de helft van de kosten van dit hoger beroep aan de zijde van verhuurder gevallen, tot op heden begroot op € 120,50 voor vast recht en op € 316,- voor salaris procureur; verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Van den Bergh en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 17 oktober 2006.